“Gezinnen voelen zich meer gehoord en begrepen”

Probleemgedrag ligt zelden alléén aan het kind. Maar hoe maak je de interactie binnen een gezin inzichtelijk? Inge Zomervrucht, psychomotorische therapeut en onderzoeker bij Alliade, ziet mooie dingen gebeuren als ouders en kind(eren) met een licht verstandelijke beperking samen de zaal ingaan. Samen met een systeemtherapeut en met steun van het Zorgondersteuningsfonds wil ze psychomotorische gezinstherapie een wetenschappelijke basis geven.

“Laatst kwam een moeder met haar twee dochters bij mij in de zaal. Hulpverleners probeerden haar al jaren uit te leggen wat ze kon doen om het minder zwaar te hebben. Zonder resultaat. Ik vroeg moeder en dochters om al het materiaal van de ene kant van de zaal naar de andere te brengen. Maar hun voeten mochten de grond niet raken. De moeder zette haar twee meiden op een kast en ging keihard aan de slag. Haar dochters hoefden niets te doen. In de daaropvolgende sessie met de systeemtherapeut viel het kwartje wél. De ervaring in de zaal maakte in één keer duidelijk dat de moeder haar dochters als prinsesjes behandelde.”

“Zo hebben we al veel positieve ervaringen met psychomotorische gezinstherapie opgedaan. Doordat kwartjes eerder vallen, gaan trajecten sneller en zijn ze minder intensief voor de ouders. Ook voelen de gezinnen zich meer gehoord en begrepen: ‘Dit is precies wat bij ons thuis gebeurt!’. En het is gewoon leuk in de zaal. Ook dat is heel belangrijk voor de interactie binnen een gezin. Plezier mag echt voorop staan. En dan gebeuren mooie dingen. Want zodra de interactie binnen het gezin verbetert, neemt ook het probleemgedrag af. Problemen voelen minder zwaar.”

“Vooralsnog zijn deze ervaringen ‘subjectief’. Hoog tijd dus om er een wetenschappelijk basis aan te geven. Dat gaan we met dit onderzoek doen: is wat wij ervaren ook wat er daadwerkelijk gebeurt? We zijn heel blij dat het Zorgondersteuningsfonds ons de ruimte biedt hiermee te pionieren. Want dit is het eerste onderzoek naar psychomotorische gezinstherapie in de gehandicaptenzorg. En als we straks wetenschappelijk bewijs hebben, hopen we dat psychomotorische gezinstherapie een vast product in ons aanbod kan worden. Zodat we nog meer gezinnen met een kind met een licht verstandelijke beperking kunnen helpen.”

Volg de voortgang van het onderzoek op alliade.nl [link: https://www.alliade.nl/over-alliade/praktijkgericht-wetenschappelijk-onderzoek/onderzoeken/1356/pmgt-samen-aan-de-slag].

“De brug slaan tussen praktijk en onderzoek”

Ergotherapeut Esther Reijnoudt had al tijdens haar opleiding interesse in de European Master of Science in Occupational Therapy. Maar ze besloot eerst praktijkervaring te gaan opdoen. Dat doet ze bij Warande. Na een jaartje begon het weer te kriebelen. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds gaat ze de master nu alsnog volgen. Zodat ze straks een bijdrage kan leveren aan verbeteringen in de praktijk.

“Ergotherapeuten zijn vaak doeners. Ze handelen graag. Ik ben meer een denker. Dat merkte ik al tijdens de opleiding. Ik had veel vragen: Waarom doen we dit eigenlijk? Wat is de onderbouwing? Daar kreeg ik niet altijd antwoord op. Ik vind het erg leuk om nu in de praktijk te werken. Maar ook daar zie ik dingen die vragen oproepen. Omdat ze misschien anders of efficiënter kunnen. Mijn collega’s en ik hebben allerlei ideeën om de zorg te verbeteren. Toch komt dat nu nog niet zo van de grond. Ik denk omdat de verbinding tussen praktijk en onderzoek beter kan. Daar zou ik heel graag aan willen bijdragen, maar ik heb nog niet de juiste vaardigheden. Zo kwam ik op deze master. Want deze master is er heel erg op gericht om de brug tussen praktijk en onderzoek te slaan.”

Esther Reijnoudt

“De European Master of Science in Occupational Therapy is een samenwerking van 5 Europese hogescholen. Tijdens elke module hebben we 2 weken les aan een van de hogescholen en werken we daarna opdrachten uit. We starten in Brighton, vervolgens zijn we in Amsterdam en daarna gaan we nog naar Zwitserland, Spanje en Zweden. We zijn met 28 studenten uit 13 verschillende landen. Je ziet dus ook hoe ergotherapeuten in andere landen werken. Dat maakt de master extra leuk.”

“De kans die ik van het Zorgondersteuningsfonds krijg is echt enorm. De master is echter niet alleen een kans voor mij, maar ook voor Warande. Want Warande wil graag een expertisecentrum worden. Vanuit de vakgroep ergotherapie hoop ik met het volgen van deze master te kunnen bijdragen aan dit streven.”

“Wandelen voor verbinding”

Eenzaamheid onder ouderen is een groot maatschappelijk probleem. Het kan leiden tot depressie en allerlei lichamelijke aandoeningen. Zeker als ouderen al een ggz-achtergrond hebben. Didi Rhebergen, ouderenpsychiater bij GGz Centraal, bedacht een uniek wandelproject met medewerkers van commerciële bedrijven. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds onderzoekt ze de levensvatbaarheid van haar idee.

“Ik werk als ouderenpsychiater in een kliniek. Zolang mensen daar verblijven, gaat het nog wel met de eenzaamheid. Omdat wij in de kliniek allerlei activiteiten organiseren. Maar zodra ze naar huis gaan, ligt het weer op de loer. Het idee voor dit project ontstond in de COVID-tijd. Toen nam niet alleen de eenzaamheid onder ouderen toe, maar zaten heel veel mensen eenzaam thuis achter hun computer. Allemaal mensen die misschien wel behoefte aan zingeving hadden, maar de ggz niet kenden. Of eng vonden. En dus niet wisten dat ze als vrijwilliger een positieve bijdrage kunnen leveren. Mensen ook die misschien wel wat meer wilden bewegen, omdat dat goed is voor de fysieke én mentale gezondheid. Al die gedachten heb ik in de grote hoed gestopt. Het project ‘Wandelen voor verbinding’ is het resultaat.”

Didi Rhebergen

“‘Wandelen voor verbinding’ richt zich op medewerkers van grote commerciële bedrijven. Het doel is dat ze gaan wandelen met ouderen met een ggz-achtergrond. Ik wil weten of het mogelijk is om dit wandelpotentieel aan te boren. Staan de bedrijven ervoor open? Kom je uiteindelijk bij de medewerkers zelf uit of zijn er procedurele obstakels? En als je de medewerkers zelf bereikt, ontstaat er dan een duurzaam contact of stopt het na één keer? Wat gebeurt er vervolgens bij de medewerker? Neemt bijvoorbeeld het stigma rond de ggz-cliënt af? En als laatste: heeft de cliënt er baat bij?”

“Het is echt pionieren wat we doen. Dat maakt het spannend. Want het project kan ook verzanden in administratieve rompslomp. Wat overigens ook een bruikbaar resultaat is. Want dat zou betekenen dat we daar eerst iets aan moeten doen. Maar liever zie ik dat we over twee jaar een nieuwe groep vrijwilligers hebben. Vrijwilligers die ggz-patiënten eerst nog wat eng vonden, maar ontdekt hebben dat het contact over en weer ontzettend waardevol is. Juist omdat wandelen een mooie gelegenheid is om tot diepere gesprekken te komen. Vrijwilligers ook die het fijn vinden om regelmatig even samen naar buiten te gaan. Zodat kwetsbare ouderen een beetje uit hun isolement komen.”

“Wat leidt tot de beste kwaliteit van leven en sterven?”

Over palliatieve zorg bij de ziekte van Huntington is erg weinig bekend. Een gemis, aldus Dorine Boersema, specialist ouderengeneeskunde bij Topaz. Want de complexe laatste levensfase van mensen met de ziekte van Huntington verdient een goede aanpak. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds doet Dorine hier promotieonderzoek naar.

“Als specialist ouderengeneeskunde ben je regelmatig betrokken bij de laatste levensfase van mensen. Het is fijn om dat op een goede manier te begeleiden. Bij de ziekte van Huntington kan dat ingewikkeld zijn. Alleen al het feit dat patiënten met de ziekte van Huntington vaak best jong zijn maakt het complex. En hoe jonger mensen Huntington krijgen, hoe eerder ze eraan overlijden. Dat geeft een hele andere dimensie aan palliatieve zorg. Deze patiënten hebben vaak een gezin met jonge kinderen. En die kinderen kunnen gendrager zijn. Die kijken dus tegen hun voorland aan. Gemiddeld 50% van de nabestaanden gaat hetzelfde traject in. Dan is het nog belangrijker om het goed af te sluiten.”

Dorine Boersema

“De specifieke problemen die bij de ziekte van Huntington horen, bemoeilijken die goede afsluiting. Al in een vrij vroeg stadium kunnen bijvoorbeeld slikproblemen optreden. Die kunnen uiteindelijk zo ernstig worden dat patiënten niets meer kunnen eten of drinken. Geef je dan sondevoeding of kies je voor stoppen met eten en drinken en dus overlijden? En wat doe je met medicatie als je voor stoppen met eten en drinken kiest? Want patiënten met de ziekte van Huntington gebruiken veel medicatie, voor hun ongecontroleerde bewegingen en psychiatrische problemen. Plotseling stoppen met medicatie, omdat ze niet meer kunnen slikken, kan heftige ontrekkingsverschijnselen geven. Waar doe je dan goed aan? Op welk moment kies je bij onbehandelbare onrust voor palliatieve sedatie? Wat leidt tot de beste kwaliteit van leven en sterven?”

“Palliatieve zorg in de laatste fase van de ziekte van Huntington roept dus veel grote vragen op. Toch er is schrikbarend weinig over geschreven. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds ga ik dat veranderen. Ik start met dossieronderzoek naar de laatste levensfase. Welke symptomen zijn er? Welke behandelingen krijgen patiënten? En wie initieert die behandelingen? Die informatie leg ik vervolgens voor aan patiënten, hun naasten en zorgverleners. Of ze het herkennen en wat zij belangrijk vinden. Zodat we beter weten wat we moeten doen in de palliatieve fase, het proces mooier kan verlopen en iedereen er goed op kan terugkijken. Dit beschrijf ik in een handreiking voor zorgverleners. Zodat zij, ook al kennen ze het ziektebeeld niet, de laatste levensfase van mensen met de ziekte van Huntington toch goed kunnen begeleiden.”

“Ik ben me meer bewust van mijn eigen handelen”

“Ik ben me meer bewust van mijn eigen handelen”Marloes Paardekooper, geriatriefysiotherapeut bij Topaz, staat steviger in haar schoenen en kijkt kritischer naar haar werk. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds volgde ze de master Geriatriefysiotherapie in Utrecht. Drie jaar lang 2 dagen werken en minimaal 2 dagen studeren. Pittig, maar zeer de moeite waard. “Ik ben ook enorm gegroeid als persoon.”

Marloes Paardekooper

“Toen ik begon, dacht ik dat ik een studie naast mijn werk ging doen. Maar eigenlijk is het andersom: de studie neemt je leven 3 jaar lang in beslag, ook mentaal. Gelukkig bekostigde het Zorgondersteuningsfonds niet alleen het collegegeld, maar ook mijn opleidingsdag én een studiedag. Ik had dus tijd om te studeren. Dat was ontzettend helpend.”

“De opleiding heeft me veel gebracht. Ik ben me nu meer bewust van mijn eigen handelen. We hebben bijvoorbeeld leren kijken naar ethische en morele dilemma’s. En naar de verschillende belangen die dan spelen. Denk aan het belang van de cliënt, van het zorgpersoneel, van de naaste en van jezelf als fysiotherapeut. Normaal denk je daar niet zo over na. Maar als je dat wel doet, kun je veel beter bepalen of je juist gehandeld hebt of niet. Mijn eigen casus ging over een mevrouw met vergevorderde dementie in het verpleeghuis. Na een ziekteperiode kon ze niet meer zelfstandig staan. Een actieve lift of een draaischijf bleken ongeschikte hulpmiddelen, want mevrouw zakte door haar benen en begreep niet wat ze moest doen. Daarom besloten we haar met een passieve lift te gaan helpen. De dochter vond dat een no-go. Ze wilde per se dat haar moeder weer ging staan. Maar mevrouw was verzwakt en angstig. En als ze door haar benen zakte, moest het zorgpersoneel haar opvangen. Al die verschillende belangen meewegen heeft me achteraf veel inzicht gegeven. En het mooie is dat ik dat nu weet. Bij een volgend dilemma kan ik de belangen al van tevoren afwegen.”

“Ik heb ook handvatten gekregen om wetenschappelijk onderzoek te doen. Zodat ik dat ook in mijn dagelijks werk kan opzetten. Maar daar wacht ik nog even mee. Ik wil nu eerst een tijdje rustig vier dagen werken. Alle kennis neem ik natuurlijk wel mee. Dat merk ik ook in de gesprekken met collega’s. We bespreken casussen op een andere manier, kritischer, inhoudelijker. En last but not least: ik ben ook enorm gegroeid als persoon. Ik heb meer zelfvertrouwen en sta steviger in mijn schoenen. Allemaal dankzij de opleiding.”

“Met EMDR langdurig psychisch lijden voorkomen”

Over PTSS bij mensen met een ernstige tot matige verstandelijke beperking is nog weinig bekend. Terwijl het langdurig psychisch lijden kan veroorzaken en een rol kan spelen bij moeilijk verstaanbaar gedrag. Speciaal voor deze groep paste Annemieke Hoogstad, gz-psycholoog bij Amerpoort, een trauma-interview aan. Dat valideert ze nu met hulp van het Zorgondersteuningsfonds. Ook onderzoekt ze het effect van een behandeling met EMDR.

“Ik werk al best een tijd als gedragsdeskundige voor mensen met een verstandelijke beperking. Sinds 10 jaar behandel ik mijn cliënten ook met EMDR. Rond die tijd kwam het onderzoek naar trauma bij mensen met een licht verstandelijke beperking op gang. Het gevolg was dat ik steeds meer mensen met een licht verstandelijke beperking kreeg aangemeld. Maar mensen met een diepere beperking zag ik eigenlijk niet. Dat viel op, het klopte niet. Herkennen we trauma’s bij deze groep wel? Ik merkte dat hier een gat in onze kennis zit. Dáár wilde ik onderzoek naar doen.”

Annemieke Hoogstad

“Veel mensen, ook mensen met een verstandelijke beperking, maken in hun leven traumatische gebeurtenissen mee. Een deel daarvan ontwikkelt PTSS. Als deze mensen niet behandeld worden, blijven de problemen vaak bestaan. Mensen met een ernstige tot matige verstandelijke beperking kunnen niet of beperkt praten over hun gevoelens of vertellen wat ze hebben meegemaakt. Gedrag is de belangrijkste manier waarop ze het kunnen uiten. We zijn begonnen met het aanpassen van een bestaand trauma-interview voor mensen met een licht verstandelijke beperking. Om het bruikbaar te maken voor mensen met een ernstige tot matige verstandelijke beperking. Met hulp van het Zorgondersteuningsfonds valideren we dit aangepaste trauma-interview, door het te gebruiken bij een grote groep cliënten van meerdere zorgorganisaties. Tegelijkertijd kijken we of we PTSS bij cliënten met een ernstige verstandelijke beperking kunnen behandelen met EMDR. Zien we na behandeling met EMDR een verandering in PTSS-symptomen en moeilijk verstaanbaar gedrag?”

“Ik hoop dat dit onderzoek helpt om mensen bewust te maken dat onder moeilijk verstaanbaar gedrag een trauma kan liggen. Dat het een van de hypotheses is. Daar is nu gewoon nog te weinig aandacht voor. En dat mensen dan ook weten dat behandeling met de EMDR-verhalenmethode zin heeft. De voorlopige resultaten van de effectstudie zijn positief. Ook ontmoet ik nu al begeleiders die na een geslaagde interventie bij de ene cliënt suggereren dat EMDR misschien ook kan werken bij een andere cliënt. Dat vind ik mooi, die olievlek hebben we nodig. Want om langdurig psychisch lijden van mensen met een ernstige tot matige verstandelijke beperking te voorkomen, moeten we zoveel mogelijk mensen bereiken.”

“Ik wil weten waarom we voor een bepaalde behandeling kiezen”

De behandeling van mensen met de ziekte van Huntington steeds een stukje beter maken: dat is waar Stella van der Niet, fysiotherapeut bij Topaz, voor gaat. Daarom start ze in september 2022 met de master Klinische Gezondheidswetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Het Zorgondersteuningsfonds neemt de kosten van de opleiding en de wekelijkse opleidingsdag op zich.

“Ik werk nu 5 jaar met mensen met de ziekte van Huntington. Dat is een vrij onbekende ziekte die maar relatief weinig mensen hebben. Mijn werkplek Topaz Overduin is een van de grootste expertisecentra voor mensen met Huntington in Nederland. Overduin werkt veel mee aan onderzoeken en stimuleert medewerkers om ook onderzoek te gaan doen. Dat gebeurt via Topcare. Zelf heb ik de Topcare-scholing ook gevolgd. Ik vond het zo leuk dat ik hiermee verder wil. Want door onderzoek te doen kunnen we weer in stapje verder komen in de begeleiding en zorg aan mensen met de ziekte van Huntington.”

Stella van der Niet

“In september 2022 ga ik met steun van het Zorgondersteuningsfonds de master Klinische Gezondheidswetenschappen doen, en dan de richting fysiotherapeutische wetenschappen. Ik ben nu met een pre-master bezig. Daarvoor heb ik eerst staatsexamen wiskunde op vwo-niveau moeten doen. Voor mijn pre-master voer ik een case study van een van onze cliënten uit. Ik word daar enorm enthousiast van. Ik vind het heerlijk om iets nieuws te doen en mijn hersenen op een andere manier aan te zetten. Ik merk het ook in mijn dagelijks werk. Ik neem niet meer zo snel iets aan. Ik wil weten waarom we voor een bepaalde behandeling en voor bepaalde meetinstrumenten kiezen. En dan zie je dat mijn vragen anderen ook weer aan het nadenken zetten. Waarom doen we eigenlijk wat we doen? Alleen daarom al is het goed dat ik deze (pre-)master doe.”

“Ik ben natuurlijk verschrikkelijk benieuwd wat er allemaal uit mijn master gaat komen. Ik heb er in ieder geval heel veel zin in. En ik mag straks zelf kiezen wat ik wil onderzoeken. Dat wordt nog moeilijk, er is nog zoveel te doen voor de mensen met de ziekte van de Huntington! Collega’s komen ook met allerlei suggesties. Dingen die ze samen met mij willen onderzoeken. Het leeft echt bij ons op het werk. Ook dat is ontzettend leuk.”

“Met e-health revalidanten helpen hun zelfstandigheid te behouden”

Ergotherapeut Michael Zonneveld wist al tijdens zijn opleiding dat hij onderzoek wilde doen. Bij Topaz krijgt hij die mogelijkheid. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds doet hij promotieonderzoek naar een belangrijk onderdeel van de ambulantisering van de geriatrische revalidatiezorg: de sociale participatie van de revalidant. En hoe e-health die kan bevorderen. “Je wilt dat mensen hun leven kunnen leiden zoals ze dat altijd deden.”

“Ergotherapeut is een prachtig beroep. Want je kunt veel voor mensen betekenen, maar wetenschappelijk bewijs ontbreekt vaak nog. Dat triggerde me, ik wist al snel dat ik onderzoek wilde gaan doen. Ik heb een tijd in Zweden gewoond en gewerkt, bij het Karolinska Institutet. Daar leerde ik dat goed onderzoek nooit zonder feeling met het werkveld kan. Je moet de praktijk goed kennen en blijven ervaren. Daarom blijf ik ook tijdens mijn promotieonderzoek 2 dagen per week mijn ‘gewone’ werk doen, als eerstelijns ergotherapeut bij Topaz360. De andere 3 dagen houd ik me bezig met de participatie van mensen die na revalidatie in Topaz Revitel weer naar huis gaan. Kan e-health daar een rol in spelen?”

Michael Zonneveld

“We weten uit allerlei onderzoeken dat ambulante revalidatie, oftewel eerder ontslag uit de revalidatiekliniek, positieve effecten heeft. Maar we weten ook dat in dat ambulante revalidatietraject nog onvoldoende aandacht voor participatie is. Met participatie bedoel ik dat mensen hun leven kunnen leiden zoals ze dat altijd deden. Dat ze hun activiteiten kunnen doen, al dan niet met aanpassingen. Dat mensen die bijvoorbeeld altijd boodschappen deden op de fiets, dat nu per scootmobiel doen. Zodat ze hun zelfstandigheid kunnen behouden. Mijn promotieonderzoek is een vervolg op onderzoek dat ik bij het Karolinska Institutet deed. Daaruit bleek dat e-health de participatie in de ambulante revalidatie zou kunnen verbeteren. Dat ga ik nu verder invullen.”

“Dat betekent overigens niet dat ik nu al in concrete oplossingen denk. Integendeel! Ik ben net begonnen met de eerste fase van mijn onderzoek. Daarin breng ik in kaart wat leeft onder professionals en mensen die revalideren. Waar lopen jullie tegenaan? Hoe denken jullie dat e-health kan helpen? Ook tijdens het verdere onderzoek blijf ik de eindgebruikers betrekken. Want zij moeten er uiteindelijk mee werken. En misschien komen we wel uit bij een bestaande app, die we alleen wat moeten aanpassen. Alles is goed, als het maar helpt de participatie van revalidanten te verbeteren.”

Prof. dr. Wilco Achterberg en dr. Leonoor van Dam van Isselt begeleiden het promotieonderzoek van Michael.

“PETRA helpt cliënten ontdekken wat bij hen past”

Mensen die langdurige ambulante psychiatrische zorg krijgen hebben vaak last van complexe problemen. Ze worstelen met herstel en vinden het moeilijk om grip op hun klachten te krijgen. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds onderzoekt Fionneke Bos, postdoc onderzoeker bij GGZ Drenthe, of de innovatieve dagboekmethode PETRA hen kan helpen die grip wél te krijgen.

“Waarom heb ik dit? Wat kan ik doen? Wat gebeurt er en hoe beïnvloedt dat mijn leven? Het zijn vragen waarop veel mensen met langdurige en complexe psychiatrische problemen een antwoord zoeken. Kunnen we deze mensen helpen om meer inzicht in hun dagelijks leven te krijgen? We hopen dat dagboekmetingen een uitkomst bieden. Ik heb promotieonderzoek gedaan naar het nut van dagboekmetingen in de psychiatrische zorg. De resultaten waren veelbelovend. Daarom hebben we PETRA ontwikkeld, een innovatieve online dagboekmethode, die we helemaal op maat kunnen maken.”

Fionneke Bos

“PETRA vraagt cliënten meerdere keren per dag hoe ze zich voelen. En wat ze meemaken. Ze krijgen een melding op hun telefoon, met een linkje naar de vragenlijst. Ze hoeven er dus niet zelf aan te denken. De meeste vragen kunnen ze met een soort schuifje beantwoorden. Daarmee geven ze aan in welke mate ze een bepaalde emotie of klacht ervaren. Maar er wordt ook gevraagd naar wat ze ondernemen en meemaken. Hoeveel keer per dag ze de vragen beantwoorden, verschilt per persoon. Wie nog heel erg op zoek is naar inzichten, vult PETRA misschien wel 10 keer per dag in. Wie al op weg is naar herstel, doet dat minder vaak. Ook de soort vragen zijn op maat. We nemen het behandeldoel en de eigen ervaringen van de cliënt mee, dus welke klachten op de voorgrond staan. Op basis van deze kenmerken doet PETRA alvast een voorstel voor een persoonlijk dagboek. Vervolgens passen de cliënt en de behandelaar dit samen aan. Dat is een belangrijk onderdeel van de behandeling, omdat ze daarmee samen inzicht in het probleem krijgen.”

“Het mooie van deze methode is dat het echt over de cliënt gaat. Vaak krijgen cliënten algemene adviezen, zoals ‘meer bewegen’. Dat kan helpend zijn, maar het is goed om ook in te zoomen op wat voor de individuele cliënt goed werkt. Dat kan ‘meer bewegen’ zijn, maar ook ‘sociaal contact opzoeken’ of ‘schilderen’. PETRA brengt heel gedetailleerd in kaart wat cliënten meemaken en hoe ze zich daarbij voelen. Dat helpt cliënten ontdekken wat bij hen past. Zodat de behandelaar gerichtere adviezen kan geven. Want dat is het tweede bijzondere element van deze methode: er ontstaat meer samenwerking tussen cliënt en behandelaar. De cliënt krijgt een actievere rol. Met hulp van het Zorgondersteuningsfonds onderzoek ik nu of PETRA inderdaad doet wat wij hopen. Zodat meer cliënten meer grip en eigen regie krijgen om te werken aan hun herstel.”

“Digitaal burgerschap als onderdeel van onze begeleidingsstijl”

Begeleiders kijken vaak met argusogen naar de digitale activiteiten van hun cliënten met een licht verstandelijke beperking (LVB). Ze weten niet goed hoe ze hun cliënten in de online wereld kunnen begeleiden. Terwijl onze maatschappij wel steeds digitaler wordt. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds ontwikkelt Middin handvatten voor begeleiders om het digitaal burgerschap van mensen met een LVB te verbeteren. Projectleider Daniëlle Dijs vertelt.

“Veel jongeren met een LVB hebben een rijk digitaal leven. Ze gamen, zijn actief op social media en maken digitale vrienden. En dat is maar goed ook. Want wie niet digitaal vaardig is, kan in onze maatschappij nauwelijks meer meekomen. Er zit echter ook een keerzijde aan: jongeren met een LVB kunnen kwetsbaar zijn. Doordat ze de gevolgen van hun online gedrag niet altijd overzien. Of niet altijd begrijpen wat mensen of bedrijven op internet van hen willen. Een goede begeleiding op het digitale pad is dus essentieel. Maar dat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Digitaal burgerschap is namelijk nog geen gespreksonderwerp in onze begeleidingsstijl. Veel begeleiders zijn handelingsverlegen.”

Daniëlle Dijs

“Met steun van het Zorgondersteuningsfonds wil Middin handvatten voor de begeleidingspraktijk ontwikkelen, om het digitaal burgerschap van mensen met een LVB te verbeteren. Daarvoor sluit Middin aan bij het onderzoek dat Rogier de Groot, docent en onderzoeker bij Hogeschool Leiden, al uitvoert. Rogier constateert bijvoorbeeld dat veel begeleiders zich zorgen maken over hun cliënten in de online wereld. Hij wil begeleiders uitdagen tot omdenken. Want er zitten ook positieve kanten aan online gedrag. Gamen staat niet altijd gelijk aan verslaving, onbereikbaarheid of leven in een eigen bubbel. Het kan ook ontspanning en meer zelfvertrouwen opleveren.”

“Door cliënten te ondersteunen bij hun digitale contacten en geïnteresseerd te zijn in wat ze online doen kan een heel ander gesprek ontstaan. Dat merkten we tijdens de game-avond die we organiseerden op een van onze woonlocaties. Begeleiders en cliënten vormden samen teams. Begeleiders ontdekten hoe leuk gamen kan zijn. Ook ervaarden ze zelf hoe het is om midden in een potje te moeten stoppen. Ze kregen meer begrip voor hun cliënten. Op een andere locatie speelden begeleiders en hun cliënten samen een pubquiz over de online wereld. De komende tijd willen we samen met begeleiders en cliënten ontdekken hoe digitaal burgerschap een vanzelfsprekend onderdeel van onze begeleidingsstijl kan worden. Zodat ook mensen met LVB leren om zich bewust, verantwoordelijk en respectvol in de digitale wereld te gedragen.”

Meer weten? Beluister de podcast over online gedrag van mensen een licht verstandelijke beperking.