“De psychiatrische klachten zijn maar een deel van het verhaal”

Wie zich fit voelt, heeft meer kwaliteit van leven. Dat geldt ook voor mensen met een depressie of een bipolaire stoornis. Gewone leefstijlprogramma’s sluiten echter niet aan bij deze specifieke doelgroep. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds experimenteert GGZ Drenthe met een leefstijlprogramma op maat. Danielle Cath, psychiater bij GGZ Drenthe: “Gazpacho en smoothies hadden ze nog nooit gemaakt.”

“Toen ik hier op de polikliniek kwam werken, viel me op hoe ongezond veel patiënten zijn: te zwaar, te hoge bloeddruk, suikerziekte. Uit een monitoringsysteem van onze apotheker bleek dat 50% van de patiënten die medicatie krijgt ook veel lichamelijke klachten heeft. Ze zijn niet fit en voelen zich vaak ook niet fit. Onze patiënten overlijden 10 tot 20 jaar eerder dan de gemiddelde mens. Daarbij komt dat huisartsen hun psychiatrische patiënten minder monitoren op lichamelijke gezondheid dan hun patiënten zonder psychische aandoening. Voor ons was de conclusie duidelijk: we doen hier te weinig aan. Wij denken dat onze patiënten zich beter voelen als ze een beetje fitter zijn en meer kunnen. Dat vergt wel een gedragsverandering. Bestaande leefstijlprogramma’s zijn echter niet toegesneden op mensen met een depressie of een bipolaire stoornis. Deze mensen hebben extra ondersteuning en intensievere begeleiding nodig.”

“Met steun van het Zorgondersteuningsfonds kunnen wij nu experimenteren met een aangepast leefstijlprogramma voor deze doelgroep. Zo hebben we de duur van het programma en het aantal sessies uitgebreid en naast het groepsaanbod ook individuele sessies met een maatje geïntroduceerd. Want de deelnemers moeten allemaal een maatje meenemen, die ze in de leefstijlverandering ondersteunt. We besteden aandacht aan gezond eten kopen en koken, aan goede slaap, aan meer bewegen. De deelnemers krijgen allemaal een stappenteller, met daaraan een persoonlijk ‘beweegdoel’ gekoppeld. Bijvoorbeeld een uur bewegen per dag. Zo worden ze bewuster van hoe weinig ze vaak bewegen. En hoeveel beter ze zich voelen als ze dat wel doen. Ook beginnen we de sessies altijd met een positieve psychologie-oefening. Zodat de deelnemers niet met een negatieve stemming de training ingaan. Al deze inzichten verwerken we in werkboeken gepersonaliseerde leefstijl voor de ambulante GGZ.”

“We doen nu een ‘pre-pilot’ met 4 patiënten. Om te kijken of ze het programma verdragen. De leefstijlcoach stuurde laatst foto’s van een gezamenlijke kooksessie. Op het menu stonden gazpacho en smoothies, met veel groente en fruit. Dat hadden ze nog nooit gemaakt, maar ze hadden er veel plezier in gehad. Ook de stappenteller vinden ze leuk. Dat komt omdat het nu een keer niet gaat over hun psychiatrische klachten. Die klachten zijn ook maar een deel van het verhaal. Aandacht voor positieve gezondheid is minstens zo belangrijk. Meer kwaliteit van leven verkleint immers het risico op een depressie.”

“Ouders met een LVB ondersteunen bij het gesprek over de opvoeding”

Hoe bespreek je je zorgen over de opvoedsituatie met ouders met een licht verstandelijke beperking? Het liefst op een prettige en duidelijke manier, zonder ‘beoordelend’ over te komen. Dit onderwerp houdt Carola van Hof, gedragswetenschapper bij Reik, al jaren bezig. Vanuit Alliade werkt ze, met steun van het Zorgondersteuningsfonds, aan een praktisch hulpmiddel voor ouders.

“Zorgen over de opvoedsituatie zijn een gevoelig, lastig en complex gespreksonderwerp, zowel voor ouders met een licht verstandelijke beperking (LVB) als hun hulpverleners. Hulpverleners willen benoemen wat ze zien, om zo de opvoedsituatie te verbeteren. Ouders zijn bang voor kritiek, hebben andere zorgen of begrijpen niet wat dan beter moet. Het is alweer jaren geleden dat bij Reik een gezinshulpverlener de ‘goed genoeg opvoederslijst’ (GGO) ontwikkelde. Zo’n lijst was er nog niet, terwijl de behoefte groot was. Natuurlijk waren er wel risico-inventarisatie-instrumenten, maar die zijn vooral beoordelend, gericht op wat niet goed gaat. Wij willen ouders juist helpen de opvoeding – en het gesprek daarover – te verbeteren.”

Carola van Hof

“Toen onze hulpverleners de GGO in de praktijk gingen gebruiken, ben ik de lijst theoretisch gaan onderbouwen. Zo heb ik de GGO doorontwikkeld tot de Gespreks- en Observatielijst Opvoedingssituatie in gezinnen met een Licht Verstandelijke Beperking (GOO-LVB). Vervolgens ontstond het idee om de GOO-LVB te valideren. Ik vroeg de gezinshulpverleners via een enquête naar hun ervaringen. En nam daarin ook hun indruk van wat ouders van de lijst vonden mee. ‘Te lang’ en ‘te moeilijk taalgebruik’ kreeg ik terug. Maar wat vonden ouders zélf van de GOO-LVB? Eigenlijk wilde ik een gevalideerde GOO-LVB voor ouders maken. Dat was het onderwerp van mijn eerste subsidieaanvraag bij het Zorgondersteuningsfonds. Maar die werd afgewezen.”

“Natuurlijk is het even slikken als je een afwijzing krijgt. Maar uiteindelijk was het heel helpend. De programmacommissie maakte een heel belangrijke kanttekening: zitten ouders wel op zo’n lijst te wachten? Wat is eigenlijk de behoefte van ouders? Ik heb mijn onderzoek nu heel anders opgezet. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds ontwikkel ik – met de GOO-LVB als achtergrond – een praktisch hulpmiddel voor het gesprek tussen ouders en hulpverleners. En dat doe ik samen met ouders. Ik ga zowel ouders interviewen die de GOO-LVB kennen, als ouders die nog nooit van die lijst gehoord hebben. Zo wil ik achterhalen wat zij verstaan onder goed opvoeden en wat helpend kan zijn. Wat eruit gaat komen weet ik nu nog niet. Het kan een filmpje zijn, een spel of kaarten, alles is goed. Zolang het ouders en hulpverleners op een praktische manier ondersteunt bij het gesprek over opvoeding.”

“Cliënten ervaren acute stressmomenten als een groot probleem”

Twee jaar geleden startte Yvette Roke, psychiater bij GGz Centraal, met steun van het Zorgondersteuningsfonds en samen met TNO met de ontwikkeling van SAM: een stresssignaleringsapp om mensen met autisme meer grip op hun dagelijks leven te geven. Inmiddels werkt Yvette – opnieuw met steun van het Zorgondersteuningsfonds en samen met TNO – aan de doorontwikkeling van SAM. Op verzoek van cliënten doet ze onderzoek naar de signalering van acute stress.

“In 2018 hebben we samen met cliënten een stresssignaleringsapp voor mensen met autisme gemaakt: SAM. Een mooi project, dat meer heeft opgeleverd dan ik had durven hopen. Want uit onze metingen blijkt dat cliënten na gebruik van SAM op korte én langere termijn meer kwaliteit van leven ervaren en zelfredzamer zijn. De app geeft cliënten een duwtje in de rug: ‘je kunt het echt wel zelf’. Dat de app zo goed aansluit, komt door de inzet van de cliënten. We hebben ze nauw betrokken bij de ontwikkeling en hun feedback verwerkt. Wel gaven de eerste gebruikers aan dat ze de signalering van acute stressmomenten missen. Denk aan verhoogde hartslag en zweten. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds doen we nu een verkennende stap naar een fysiologische meting. Een soort vooronderzoek, om te weten of het meerwaarde heeft.”

Yvette Roke

“SAM stelt 4 keer per dag 10 vragen, om te meten hoe het met de gebruiker gaat. En geeft dan persoonlijke tips om stress te verminderen. Na verloop van tijd leert de gebruiker patronen herkennen. Wij gaan daar nu biomedische gegevens aan toevoegen. Die gegevens ophalen en daarna verwerken is echter tamelijk ingewikkeld. Daar is een platform voor nodig dat wij zelf niet zomaar kunnen ontwikkelen. In de toekomst zal dit vermoedelijk wel mogelijk zijn. Wij starten nu met Fitbits voor 20 cliënten. Daarmee kunnen ze hun hartfrequentie bijhouden, bij de dagelijkse meetmomenten en op momenten dat ze acute stress ervaren.”

“Ik ben heel benieuwd wat dit onderzoek gaat brengen. Misschien wel weer meer dan ik durf te hopen! Alhoewel ik me haast niet kan voorstellen dat het meer toevoegt dan de herkenning van het dagelijkse stresspatroon door cliënten, wat SAM nu al doet. Cliënten zelf ervaren de acute stressmomenten echter als een groot probleem in hun dagelijks leven. Alleen daarom al is dit onderzoek belangrijk. Ik hoop dat het resulteert in extra empowerment van onze cliënten. Zodat ze meer zelfvertrouwen krijgen. Want ze kunnen veel meer dan ze denken.”

Lees ook het interview met Yvette Roke over de resultaten van haar eerste onderzoek. Daar is ook een filmpje over SAM te bekijken.

“De koorleden zijn zelfverzekerder”

Meer zelfvertrouwen, trots op hun bijdrage: popkoor Enjoy, het koor van cliënten van GGZ Drenthe, doet zijn leden goed. Maar wetenschappelijk aangetoond is het niet. Esther Sportel, senior onderzoeker bij GGZ Drenthe, wil daar verandering in brengen. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds onderzoekt ze de effecten van zingen op het herstel van cliënten met een ernstige psychische aandoening.

“Popkoor Enjoy bestaat al sinds 2007. Het is ooit opgericht op verzoek van cliënten die graag wilden zingen, maar de stap naar een regulier koor nog te groot vonden. De dirigent en de pianist zijn medewerkers van GGZ Drenthe. De 15 tot 25 koorleden zijn allemaal cliënt. Ze repeteren elke week en geven regelmatig concerten. Iedereen heeft hier veel plezier in, maar er is meer. De pianist en de dirigent zien veel positieve effecten. Want de koorleden zijn zelfverzekerder en trots op hun bijdrage aan het koor. Ook de naasten van de koorleden zien dat het zingen hun verwanten goeddoet. De koorleden zelf merken het ook: ze hebben het gevoel dat ze weer meedoen.”

Popkoor Enjoy

“Als zoveel mensen positieve effecten zien, willen we dat natuurlijk ook kunnen aantonen. Dat is het doel van mijn onderzoek. Daarvoor gaan we de diepte in bij de koorleden en hun naasten: Wat levert het zingen op, zowel op persoonlijk als op maatschappelijk vlak? Wat doet het met de kwaliteit van leven? Parallel daaraan onderzoek ik wat het effect van popkoor Enjoy is op het publiek. Want de pianist van het koor merkte op dat na een optreden vaak een leuke interactie met het publiek ontstaat. We willen weten of de optredens destigmatiserend werken. Daarvoor gaan we het publiek bevragen. Kijken ze nu anders aan tegen mensen met een psychische aandoening?”

“De resultaten gaan we goed aan de man brengen. Bij andere zorginstellingen, maar ook bij overheidsinstellingen, gemeenten, patiëntenverenigingen en zorgverzekeraars. Want een belangrijke motivatie voor dit onderzoek is het krimpende zorgaanbod in de GGZ. De laatste jaren zien we de ‘extra’s’ verdwijnen. Voor creatieve therapieën is bijvoorbeeld steeds minder ruimte. Door aan te tonen wat het zingen in een koor oplevert, hoop ik dat tij te kunnen keren. Omdat het echt wat met mensen doet.”

“Meer aandacht voor leefstijl via betrokkenheid bij de behandelplanprocedure”

Een gezonde leefstijl is belangrijk voor cliënten in de langdurige GGZ. Met ‘shared decision making’ en concrete doelen wil GGz Centraal de betrokkenheid en het eigenaarschap van de cliënten vergroten. Anne Willems, coördinator wetenschappelijk onderzoek bij GGz Centraal: “We hopen dat ook de motivatie en daarmee het effect van de therapie toenemen.”

“Er is steeds meer aandacht voor leefstijl en gezondheid, ook binnen de langdurige GGZ. Een leefstijlonderzoek van onze organisatie liet goede resultaten zien. Tegelijkertijd is er nog veel winst te halen. Want langdurig opgenomen cliënten overlijden nog steeds 10 tot 20 jaar eerder dan de algemene bevolking. Vooral door hart- en vaatziekten. Tegelijkertijd weten we dat cliënten en hun naasten zich onvoldoende betrokken voelen bij de behandelplanprocedure. Ze vinden dat ze te weinig invloed op de behandeldoelen hebben. Ook zijn de doelen soms te algemeen. Beide aspecten – het belang van leefstijl en de betrokkenheid bij de behandelplanprocedure – komen samen in ons onderzoek.”

Anne Willems en team

“Daarbij staat ‘shared decision making’ centraal. Dat is een methode die in de hele gezondheidszorg opgang maakt, maar in de langdurige GGZ kan het beter. Misschien omdat het niet de makkelijkste doelgroep is. Shared decision making draait om drie goede vragen: Wat zijn mijn mogelijkheden? Wat zijn de voor- en nadelen van die mogelijkheden? Wat betekent dat in mijn situatie? In ons onderzoek gaan begeleiders twee maanden voor de behandelplanbespreking met cliënten in gesprek over hun doelen. Vervolgens gaan ze die doelen ook SMART maken: concreet en meetbaar. En zoeken ze daar de juiste meetinstrumenten bij. Een cliënt die meer wil bewegen, krijgt bijvoorbeeld een stappenteller. Met de begeleider brengt hij in kaart hoeveel hij nu beweegt en waar hij naartoe wil. Zo stellen ze samen een behandelplan op.”

“Het onderzoek bestaat uit 4 fasen. Eerst brengen we met cliënten, naasten en zorgverleners in kaart welke aspecten van gezondheid zij belangrijk vinden. Vervolgens gaan we kijken welke meetinstrumenten daarbij passen. Dan implementeren we de nieuwe werkwijze en na een halfjaar beginnen we met de evaluatie. Mooi is dat we nu nog niet precies weten aan welke parameters we gaan werken. Want de een zal bewegen belangrijk vinden, een ander nachtrust. Het is echt op maat. Zo willen we de cliënt meer regie en eigenaarschap geven over zijn behandelplan en leefstijl. En wellicht leiden meer betrokkenheid en concrete doelen ook tot meer motivatie. Waardoor ook het effect van de therapie kan toenemen.”

“Genoeg licht om beter te kunnen slapen”

Kunnen lampen die het daglicht nabootsen het slaapritme en het gedrag van ouderen met een verstandelijke beperking verbeteren? Volgens Mylène Böhmer, promovendus Bright-onderzoek bij Middin, wel. Een proef op zes woonlocaties liet een positief effect zien. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds kijkt ze of de eerder geconstateerde verbetering ook na een jaar nog aanwezig is.

“Veel ouderen met een verstandelijke beperking slapen slecht. We weten allemaal dat dat ongezond is. We weten ook dat mensen overdag genoeg licht nodig hebben om ’s nachts goed te kunnen slapen. Voor onze bewoners is dat lastig. Ze komen minder vaak buiten dan mensen zonder verstandelijke beperking. Daarom brachten wij het licht naar binnen. Vervolgens hebben we gekeken of de betere verlichting van de woningen effect heeft op het slaapritme. En daarmee ook op de stemming en het gedrag van de bewoners.”

Mylène Böhmer

“Op 6 woonlocaties voor ouderen met een verstandelijke beperking installeerden we daglicht nabootsende lampen. Na 2, 6 en 13 weken deden we metingen naar het effect. Die metingen lieten positieve resultaten zien: de stemming van de bewoners was duidelijk verbeterd. Maar was deze verbetering een gevolg van de nieuwigheid van de lampen of zien we een jaar later dezelfde effecten? Of nog mooier: heeft de verbetering zich nog verder doorgezet? Dat onderzoeken we nu met steun van het Zorgondersteuningsfonds.”

“Net als tijdens de eerdere metingen hebben de bewoners een week lang een horloge gedragen dat de slaap meet en een ketting die het licht opvangt. De begeleiders vulden vragenlijsten over stemming en gedrag in. De data ben ik nu aan het analyseren. Overigens maakt dit onderzoek deel uit van een groter onderzoek naar het effect van licht op gezondheid. Dat is het onderwerp van mijn proefschrift. Een belangrijk onderwerp, want bij andere doelgroepen is het al gebruikelijk om lichtinterventies in te zetten. Denk aan mensen met een depressie of mensen met dementie. In onze sector is dit nog niet ingebed.”

“Als we onze bewoners vragen wat ze van de lampen vinden, antwoorden ze ‘mooi’. We hebben de bewoners uitgelegd dat de lampen ook helpen om beter te slapen. Bewoners ervaren hun leefomgeving als prettiger. Ze hebben goed zicht, kunnen hun activiteiten goed doen. En het is er gezellig omdat de lampen zo mooi zijn. Als ze dan ook nog beter slapen, hebben de lampen hun kwaliteit van leven echt een stap verder gebracht.”

“Een basishouding die elke begeleider moet hebben”

Om de eenduidigheid binnen de organisatie te vergroten, ontwikkelde Talant een eigen basisbegeleidingsmodel. Gericht op de mogelijkheden en eigen regie van cliënten met een verstandelijke beperking. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds onderzoekt Maaike Baron, orthopedagoog bij Talant, hoe de organisatie het basisbegeleidingsmodel het beste kan implementeren.

“Binnen de gehandicaptenzorg bestaat een wildgroei aan methodieken. In totaal zijn er ruim 100. Heel verwarrend voor begeleiders. Dat merk ik ook in de dagelijkse praktijk. Ik krijg er vaak vragen over. Veel begeleiders hebben behoefte aan meer eenduidigheid. Voor Talant reden om samen met het UMCG een inventarisatie te doen. Slechts 39 methodieken bleken goed theoretisch onderbouwd en van niet meer dan 4 werd ooit de effectiviteit onderzocht. Wij besloten het anders aan te pakken. In een tweede onderzoek vroegen we het UMCG te kijken welke elementen een basisbegeleidingsmodel voor de begeleiding en ondersteuning van onze cliënten moet bevatten. Samen met betrokkenen uit de praktijk kwam vervolgens een pilotversie van dit basisbegeleidingsmodel tot stand.”

Maaike Baron

“Het basisbegeleidingsmodel heet ‘Gids Voor Jou’. Het legt de nadruk op het versterken van de eigen regie en de inzet van het sociale netwerk van de cliënt. Het biedt een gemeenschappelijke basis aan alle begeleiders. Maar het is nadrukkelijk geen stappenplan. Het geeft de begeleiders handvatten om te werken vanuit de bedoeling, om meer te kijken naar de mogelijkheden en de kwaliteit van bestaan van de cliënt. Zie het als een basishouding die begeleiders nodig hebben om onze cliënten te ondersteunen. Natuurlijk kunnen begeleiders aanvullende methodieken inzetten voor cliënten die meer nodig hebben. Maar de basishouding moet overal hetzelfde zijn.”

“Met steun van het Zorgondersteuningsfonds gaan we nu op zoek naar een goede manier om het basismodel in heel Talant te implementeren. Hoe kunnen we alle medewerkers met het model laten kennismaken? Ook hebben we plannen voor een cliënt- en een verwantenvariant. Zodat zij weten wat ze kunnen verwachten van de begeleiding en ondersteuning die wij bieden. We starten op twee locaties, met cliënten van alle niveaus en alle leeftijden. Via participatief onderzoek, waarbij cliënten, verwanten, begeleiders, gedragskundigen en leidinggevenden betrokken zijn, kijken we hoe het model werkt in de praktijk en wat we er nog aan kunnen verbeteren. En hoe we het goed toegankelijk kunnen maken, bijvoorbeeld via een interactief platform, e-learning en een training. Het doel is dat cliënten er straks op kunnen vertrouwen dat ze overal begeleiding vanuit dezelfde basishouding krijgen, waar ze ook wonen of dagbesteding hebben.”

Jeanet Landsman, senior onderzoeker bij TGO-UMCG, begeleidt Maaike Baron bij haar onderzoek.

“Iedereen erkent de waarde van een betekenisvolle daginvulling”

Bij Middin en Cordaan zijn de jobcoaches en werkbegeleiders vaak succesvol in de begeleiding van een cliënt met LVB+ naar betaald werk. Maar hoe doen ze dat precies? Het blijkt moeilijk om daar woorden aan te geven. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds gaan Cordaan en Middin op zoek naar de werkzame elementen van hun aanpak. Hanneke Kappen, projectleider en coördinator specialisatie werk bij Middin: “We willen hun begeleidingsstijl overdraagbaar maken.”

“Wij werken sinds een paar jaar met het methodisch kader LifeWise voor de begeleiding van mensen met een licht verstandelijke beperking en complexe problematiek (LVB+). Dit kader hebben we samen met Cordaan ontwikkeld. Het biedt handvatten om de cliënt te begeleiden naar een zo zelfstandig mogelijk leven. LifeWise omvat 16 handvatten verdeeld over 4 pijlers. Het handvat ‘zorgen voor betekenisvol werk of een betekenisvolle daginvulling’ is onderdeel van de pijler ‘inbedden’. Jobcoaches (Middin) en werkbegeleiders (Cordaan) krijgen de opdracht cliënten te begeleiden naar betaald werk. Dat is een traject met verschillende stapjes of tredes. Het doel is natuurlijk trede 6: betaald werk zonder ondersteuning. Maar dat is niet altijd haalbaar. Dan proberen de jobcoaches en werkbegeleiders zo ver mogelijk te komen.”

Hanneke Kappen

“Zowel bij Cordaan als bij ons viel het op dat de werkbegeleiders of jobcoaches vaak succesvol zijn in het begeleiden van cliënten naar betaald werk. Maar ze kunnen niet vertellen wat ze precies goed doen. Gevoel en intuïtie spelen een belangrijke rol. Ze zijn vaak ‘onbewust bekwaam’. Wij willen woorden geven aan wat ze doen. Zodat we de werkzame elementen van hun manier van begeleiden kunnen overdragen aan andere begeleiders.”

“Jobcoaches en werkbegeleiders bewegen zich in een complexe wereld. Ze moeten aansluiten bij de cliënt en zijn netwerk, maar ook bij de werkgever, de gemeente en het UWV. Stel dat een cliënt vakkenvuller kan worden bij een supermarkt, maar nog niet het volledige takenpakket aankan. De jobcoach of werkbegeleider kijkt dan wat past bij de belastbaarheid van de cliënt en gaat in gesprek met de werkgever. Daar zijn bepaalde competenties voor nodig. Die begeleidingsstijl willen we overdraagbaar maken. Zodat ook andere begeleiders het kunnen leren. Iedereen erkent de waarde van een betekenisvolle daginvulling. Ons doel is dat meer jobcoaches of werkbegeleiders weten hoe ze cliënten het beste kunnen begeleiden. Zodat wij meer cliënten kunnen begeleiden naar de best passende plek. Zo kunnen we hun ontwikkeling en toekomstperspectief vergroten.”

“Ook psychiatrische patiënten willen prettige sociale contacten hebben”

Sociale contacten zijn belangrijk voor iedereen. In de begeleiding van psychiatrische patiënten is echter nog te weinig aandacht voor het opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds onderzoekt Barbara Montagne, klinisch psycholoog bij GGz Centraal, welke tools kunnen helpen.

“Contacten met familie, vrienden en kennissen: voor de meeste mensen is het vanzelfsprekend. Maar niet voor iedereen. Voor psychiatrische patiënten is het een enorme uitdaging om een gezond sociaal netwerk op te bouwen. En vervolgens ook te onderhouden. Dat komt deels door hun problematiek, maar ook doordat ze vaak al een tijd uit de maatschappij zijn. Toch wil ook deze doelgroep – net als ieder ander mens – prettige sociale contacten hebben!”

Barbara Montagne

“Met behandelaren en patiënten ben ik gaan kijken of de begeleiding voldoende aandacht heeft voor het sociale leven. Veel patiënten gaven aan dat de aandacht meestal naar iets anders uitgaat. Zeer begrijpelijk, maar het ontbreken van sociale contacten heeft wel invloed op hun kwaliteit van leven. Ook uit de literatuur blijkt dat veel behandelingen onvoldoende in staat zijn sociale aspecten mee te nemen. Voor mij was het duidelijk: hier moeten we iets mee.”

“Mijn onderzoeksveld is de sociale cognitie. Sociale cognitie gaat over hoe mensen de sociale wereld om hen heen zien en begrijpen. Uit de praktijk blijkt dat psycho-educatie en uitleg over sociale cognitie patiënten kunnen helpen om beter te begrijpen waarom sociale contacten stroef kunnen lopen. Eerder ontwikkelde ik een training over een specifiek onderdeel van de sociale cognitie: het herkennen van emotionele gezichten. Mijn eerste onderzoeksvoorstel was dan ook gericht op deze trainingsmethodiek. Maar dankzij de feedback van de programmacommissie van het Zorgondersteuningsfonds heb ik het nu over een heel andere boeg gegooid. In plaats van mijn onderzoek te richten op een door mij gekozen interventie – een training gericht op het herkennen van emoties – ga ik nu samen met patiënten en behandelaren zoeken naar oplossingen die aansluiten bij hun behoefte.”

“Ik begin met informatie ophalen bij patiënten en de teams. Vervolgens kijken we welke oplossingen haalbaar en praktisch uitvoerbaar zijn. En welke oplossingen patiënten willen proberen. Die oplossingen toetsen we in de praktijk, waarbij we nauwlettend volgen wat helpt en wat beter kan. Dit heet participatief actieonderzoek, een vorm van onderzoek die ik nog niet kende. Maar ik vind het wel ontzettend leuk! Maar nog belangrijker: met steun van het Zorgondersteuningsfonds kan ik nu 2 à 3 tools ontwikkelen die patiënten echt kunnen helpen hun dagelijkse sociale leven beter op de rit te krijgen.”

“Een signaleringsplan op maat op de smartphone”

Veel cliënten met ernstige psychische aandoeningen hebben hun signaleringsplan niet bij de hand als ze klachten hebben, maar hun smartphone wel! Met steun van het Zorgondersteuningsfonds onderzoekt José Bom, verpleegkundig specialist bij GGZ Drenthe, of de app Mijn Oplossingen uitkomst kan bieden. “Hoe mooi is het als je jezelf kunt geruststellen doordat je de juiste dingen in je app hebt staan.”

“Stel dat cliënten een signaleringsplan-app op hun smartphone hebben. Zouden ze het signaleringsplan dan vaker gebruiken? En zou het de zelfredzaamheid van cliënten met een ernstige psychische aandoening vergroten? De app is een idee van een collega-verpleegkundige uit de nachtdienst. Hem viel op dat cliënten die hulp vragen vrijwel nooit hun signaleringsplan hebben geraadpleegd. Ze hebben wel allemaal een smartphone, want daarmee bellen ze hem. Hij won er de prijs ‘Het beste idee van Drenthe – 2018’ mee, die GGZ Drenthe elk jaar uitreikt voor een goed idee of initiatief om de zorg te verbeteren.”

José Bom

“Ongeveer gelijktijdig schreven een aantal studenten HBO-V een advies over signaleringsplannen. Opvallend was dat van de 20 cliënten die aan hun onderzoek meededen maar 3 hun signaleringsplan bij de hand hadden. Cliënten bleken het signaleringsplan als probleem sturend en stigmatiserend te ervaren. De behoefte aan een signaleringsplan op maat en het idee voor de app brengen we nu bij elkaar. De app bestaat al. GGZ Eindhoven ontwikkelde Mijn Oplossingen, waarmee cliënten hun signaleringsplan naar wens kunnen ‘uitbouwen’: met filmpjes, muziek die hun stemming bevordert, tekst of foto’s waar ze zich beter van voelen. Mogelijkheden die het papieren signaleringsplan niet biedt. De app is echter nog niet onderzocht. Wanneer gebruiken cliënten de app? Hoe kunnen verpleegkundigen hen in het gebruik ondersteunen? En vooral: helpt het?”

“Wij hebben 1400 cliënten in zorg. Al deze cliënten bieden we de app aan. Met een klankbordgroep van cliënten kijken we nu hoe we dat gaan doen. Welke tips geven we bijvoorbeeld mee, voor cliënten én voor verpleegkundigen. Cliënten kunnen ook een filmpje kijken op YouTube, dat alle mogelijkheden van de app laat zien. We hopen dat ze zo op ideeën komen hoe de app hen kan helpen in het dagelijks leven. Daarna starten we met het onderzoek naar het gebruik. Veel van onze cliënten hebben blijvende klachten. Het doel is dat ze meer eigen regie gaan ervaren door de app. Omdat de app ze handvatten geeft om met hun klachten om te gaan. Hoe mooi is het als je jezelf kunt geruststellen doordat je de juiste dingen in je app hebt staan.”