“De koorleden zijn zelfverzekerder”

Meer zelfvertrouwen, trots op hun bijdrage: popkoor Enjoy, het koor van cliënten van GGZ Drenthe, doet zijn leden goed. Maar wetenschappelijk aangetoond is het niet. Esther Sportel, senior onderzoeker bij GGZ Drenthe, wil daar verandering in brengen. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds onderzoekt ze de effecten van zingen op het herstel van cliënten met een ernstige psychische aandoening.

“Popkoor Enjoy bestaat al sinds 2007. Het is ooit opgericht op verzoek van cliënten die graag wilden zingen, maar de stap naar een regulier koor nog te groot vonden. De dirigent en de pianist zijn medewerkers van GGZ Drenthe. De 15 tot 25 koorleden zijn allemaal cliënt. Ze repeteren elke week en geven regelmatig concerten. Iedereen heeft hier veel plezier in, maar er is meer. De pianist en de dirigent zien veel positieve effecten. Want de koorleden zijn zelfverzekerder en trots op hun bijdrage aan het koor. Ook de naasten van de koorleden zien dat het zingen hun verwanten goeddoet. De koorleden zelf merken het ook: ze hebben het gevoel dat ze weer meedoen.”

Popkoor Enjoy

“Als zoveel mensen positieve effecten zien, willen we dat natuurlijk ook kunnen aantonen. Dat is het doel van mijn onderzoek. Daarvoor gaan we de diepte in bij de koorleden en hun naasten: Wat levert het zingen op, zowel op persoonlijk als op maatschappelijk vlak? Wat doet het met de kwaliteit van leven? Parallel daaraan onderzoek ik wat het effect van popkoor Enjoy is op het publiek. Want de pianist van het koor merkte op dat na een optreden vaak een leuke interactie met het publiek ontstaat. We willen weten of de optredens destigmatiserend werken. Daarvoor gaan we het publiek bevragen. Kijken ze nu anders aan tegen mensen met een psychische aandoening?”

“De resultaten gaan we goed aan de man brengen. Bij andere zorginstellingen, maar ook bij overheidsinstellingen, gemeenten, patiëntenverenigingen en zorgverzekeraars. Want een belangrijke motivatie voor dit onderzoek is het krimpende zorgaanbod in de GGZ. De laatste jaren zien we de ‘extra’s’ verdwijnen. Voor creatieve therapieën is bijvoorbeeld steeds minder ruimte. Door aan te tonen wat het zingen in een koor oplevert, hoop ik dat tij te kunnen keren. Omdat het echt wat met mensen doet.”

“Meer aandacht voor leefstijl via betrokkenheid bij de behandelplanprocedure”

Een gezonde leefstijl is belangrijk voor cliënten in de langdurige GGZ. Met ‘shared decision making’ en concrete doelen wil GGz Centraal de betrokkenheid en het eigenaarschap van de cliënten vergroten. Anne Willems, coördinator wetenschappelijk onderzoek bij GGz Centraal: “We hopen dat ook de motivatie en daarmee het effect van de therapie toenemen.”

“Er is steeds meer aandacht voor leefstijl en gezondheid, ook binnen de langdurige GGZ. Een leefstijlonderzoek van onze organisatie liet goede resultaten zien. Tegelijkertijd is er nog veel winst te halen. Want langdurig opgenomen cliënten overlijden nog steeds 10 tot 20 jaar eerder dan de algemene bevolking. Vooral door hart- en vaatziekten. Tegelijkertijd weten we dat cliënten en hun naasten zich onvoldoende betrokken voelen bij de behandelplanprocedure. Ze vinden dat ze te weinig invloed op de behandeldoelen hebben. Ook zijn de doelen soms te algemeen. Beide aspecten – het belang van leefstijl en de betrokkenheid bij de behandelplanprocedure – komen samen in ons onderzoek.”

Anne Willems en team

“Daarbij staat ‘shared decision making’ centraal. Dat is een methode die in de hele gezondheidszorg opgang maakt, maar in de langdurige GGZ kan het beter. Misschien omdat het niet de makkelijkste doelgroep is. Shared decision making draait om drie goede vragen: Wat zijn mijn mogelijkheden? Wat zijn de voor- en nadelen van die mogelijkheden? Wat betekent dat in mijn situatie? In ons onderzoek gaan begeleiders twee maanden voor de behandelplanbespreking met cliënten in gesprek over hun doelen. Vervolgens gaan ze die doelen ook SMART maken: concreet en meetbaar. En zoeken ze daar de juiste meetinstrumenten bij. Een cliënt die meer wil bewegen, krijgt bijvoorbeeld een stappenteller. Met de begeleider brengt hij in kaart hoeveel hij nu beweegt en waar hij naartoe wil. Zo stellen ze samen een behandelplan op.”

“Het onderzoek bestaat uit 4 fasen. Eerst brengen we met cliënten, naasten en zorgverleners in kaart welke aspecten van gezondheid zij belangrijk vinden. Vervolgens gaan we kijken welke meetinstrumenten daarbij passen. Dan implementeren we de nieuwe werkwijze en na een halfjaar beginnen we met de evaluatie. Mooi is dat we nu nog niet precies weten aan welke parameters we gaan werken. Want de een zal bewegen belangrijk vinden, een ander nachtrust. Het is echt op maat. Zo willen we de cliënt meer regie en eigenaarschap geven over zijn behandelplan en leefstijl. En wellicht leiden meer betrokkenheid en concrete doelen ook tot meer motivatie. Waardoor ook het effect van de therapie kan toenemen.”

“Genoeg licht om beter te kunnen slapen”

Kunnen lampen die het daglicht nabootsen het slaapritme en het gedrag van ouderen met een verstandelijke beperking verbeteren? Volgens Mylène Böhmer, promovendus Bright-onderzoek bij Middin, wel. Een proef op zes woonlocaties liet een positief effect zien. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds kijkt ze of de eerder geconstateerde verbetering ook na een jaar nog aanwezig is.

“Veel ouderen met een verstandelijke beperking slapen slecht. We weten allemaal dat dat ongezond is. We weten ook dat mensen overdag genoeg licht nodig hebben om ’s nachts goed te kunnen slapen. Voor onze bewoners is dat lastig. Ze komen minder vaak buiten dan mensen zonder verstandelijke beperking. Daarom brachten wij het licht naar binnen. Vervolgens hebben we gekeken of de betere verlichting van de woningen effect heeft op het slaapritme. En daarmee ook op de stemming en het gedrag van de bewoners.”

Mylène Böhmer

“Op 6 woonlocaties voor ouderen met een verstandelijke beperking installeerden we daglicht nabootsende lampen. Na 2, 6 en 13 weken deden we metingen naar het effect. Die metingen lieten positieve resultaten zien: de stemming van de bewoners was duidelijk verbeterd. Maar was deze verbetering een gevolg van de nieuwigheid van de lampen of zien we een jaar later dezelfde effecten? Of nog mooier: heeft de verbetering zich nog verder doorgezet? Dat onderzoeken we nu met steun van het Zorgondersteuningsfonds.”

“Net als tijdens de eerdere metingen hebben de bewoners een week lang een horloge gedragen dat de slaap meet en een ketting die het licht opvangt. De begeleiders vulden vragenlijsten over stemming en gedrag in. De data ben ik nu aan het analyseren. Overigens maakt dit onderzoek deel uit van een groter onderzoek naar het effect van licht op gezondheid. Dat is het onderwerp van mijn proefschrift. Een belangrijk onderwerp, want bij andere doelgroepen is het al gebruikelijk om lichtinterventies in te zetten. Denk aan mensen met een depressie of mensen met dementie. In onze sector is dit nog niet ingebed.”

“Als we onze bewoners vragen wat ze van de lampen vinden, antwoorden ze ‘mooi’. We hebben de bewoners uitgelegd dat de lampen ook helpen om beter te slapen. Bewoners ervaren hun leefomgeving als prettiger. Ze hebben goed zicht, kunnen hun activiteiten goed doen. En het is er gezellig omdat de lampen zo mooi zijn. Als ze dan ook nog beter slapen, hebben de lampen hun kwaliteit van leven echt een stap verder gebracht.”

“Een basishouding die elke begeleider moet hebben”

Om de eenduidigheid binnen de organisatie te vergroten, ontwikkelde Talant een eigen basisbegeleidingsmodel. Gericht op de mogelijkheden en eigen regie van cliënten met een verstandelijke beperking. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds onderzoekt Maaike Baron, orthopedagoog bij Talant, hoe de organisatie het basisbegeleidingsmodel het beste kan implementeren.

“Binnen de gehandicaptenzorg bestaat een wildgroei aan methodieken. In totaal zijn er ruim 100. Heel verwarrend voor begeleiders. Dat merk ik ook in de dagelijkse praktijk. Ik krijg er vaak vragen over. Veel begeleiders hebben behoefte aan meer eenduidigheid. Voor Talant reden om samen met het UMCG een inventarisatie te doen. Slechts 39 methodieken bleken goed theoretisch onderbouwd en van niet meer dan 4 werd ooit de effectiviteit onderzocht. Wij besloten het anders aan te pakken. In een tweede onderzoek vroegen we het UMCG te kijken welke elementen een basisbegeleidingsmodel voor de begeleiding en ondersteuning van onze cliënten moet bevatten. Samen met betrokkenen uit de praktijk kwam vervolgens een pilotversie van dit basisbegeleidingsmodel tot stand.”

Maaike Baron

“Het basisbegeleidingsmodel heet ‘Gids Voor Jou’. Het legt de nadruk op het versterken van de eigen regie en de inzet van het sociale netwerk van de cliënt. Het biedt een gemeenschappelijke basis aan alle begeleiders. Maar het is nadrukkelijk geen stappenplan. Het geeft de begeleiders handvatten om te werken vanuit de bedoeling, om meer te kijken naar de mogelijkheden en de kwaliteit van bestaan van de cliënt. Zie het als een basishouding die begeleiders nodig hebben om onze cliënten te ondersteunen. Natuurlijk kunnen begeleiders aanvullende methodieken inzetten voor cliënten die meer nodig hebben. Maar de basishouding moet overal hetzelfde zijn.”

“Met steun van het Zorgondersteuningsfonds gaan we nu op zoek naar een goede manier om het basismodel in heel Talant te implementeren. Hoe kunnen we alle medewerkers met het model laten kennismaken? Ook hebben we plannen voor een cliënt- en een verwantenvariant. Zodat zij weten wat ze kunnen verwachten van de begeleiding en ondersteuning die wij bieden. We starten op twee locaties, met cliënten van alle niveaus en alle leeftijden. Via participatief onderzoek, waarbij cliënten, verwanten, begeleiders, gedragskundigen en leidinggevenden betrokken zijn, kijken we hoe het model werkt in de praktijk en wat we er nog aan kunnen verbeteren. En hoe we het goed toegankelijk kunnen maken, bijvoorbeeld via een interactief platform, e-learning en een training. Het doel is dat cliënten er straks op kunnen vertrouwen dat ze overal begeleiding vanuit dezelfde basishouding krijgen, waar ze ook wonen of dagbesteding hebben.”

Jeanet Landsman, senior onderzoeker bij TGO-UMCG, begeleidt Maaike Baron bij haar onderzoek.

“Iedereen erkent de waarde van een betekenisvolle daginvulling”

Bij Middin en Cordaan zijn de jobcoaches en werkbegeleiders vaak succesvol in de begeleiding van een cliënt met LVB+ naar betaald werk. Maar hoe doen ze dat precies? Het blijkt moeilijk om daar woorden aan te geven. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds gaan Cordaan en Middin op zoek naar de werkzame elementen van hun aanpak. Hanneke Kappen, projectleider en coördinator specialisatie werk bij Middin: “We willen hun begeleidingsstijl overdraagbaar maken.”

“Wij werken sinds een paar jaar met het methodisch kader LifeWise voor de begeleiding van mensen met een licht verstandelijke beperking en complexe problematiek (LVB+). Dit kader hebben we samen met Cordaan ontwikkeld. Het biedt handvatten om de cliënt te begeleiden naar een zo zelfstandig mogelijk leven. LifeWise omvat 16 handvatten verdeeld over 4 pijlers. Het handvat ‘zorgen voor betekenisvol werk of een betekenisvolle daginvulling’ is onderdeel van de pijler ‘inbedden’. Jobcoaches (Middin) en werkbegeleiders (Cordaan) krijgen de opdracht cliënten te begeleiden naar betaald werk. Dat is een traject met verschillende stapjes of tredes. Het doel is natuurlijk trede 6: betaald werk zonder ondersteuning. Maar dat is niet altijd haalbaar. Dan proberen de jobcoaches en werkbegeleiders zo ver mogelijk te komen.”

Hanneke Kappen

“Zowel bij Cordaan als bij ons viel het op dat de werkbegeleiders of jobcoaches vaak succesvol zijn in het begeleiden van cliënten naar betaald werk. Maar ze kunnen niet vertellen wat ze precies goed doen. Gevoel en intuïtie spelen een belangrijke rol. Ze zijn vaak ‘onbewust bekwaam’. Wij willen woorden geven aan wat ze doen. Zodat we de werkzame elementen van hun manier van begeleiden kunnen overdragen aan andere begeleiders.”

“Jobcoaches en werkbegeleiders bewegen zich in een complexe wereld. Ze moeten aansluiten bij de cliënt en zijn netwerk, maar ook bij de werkgever, de gemeente en het UWV. Stel dat een cliënt vakkenvuller kan worden bij een supermarkt, maar nog niet het volledige takenpakket aankan. De jobcoach of werkbegeleider kijkt dan wat past bij de belastbaarheid van de cliënt en gaat in gesprek met de werkgever. Daar zijn bepaalde competenties voor nodig. Die begeleidingsstijl willen we overdraagbaar maken. Zodat ook andere begeleiders het kunnen leren. Iedereen erkent de waarde van een betekenisvolle daginvulling. Ons doel is dat meer jobcoaches of werkbegeleiders weten hoe ze cliënten het beste kunnen begeleiden. Zodat wij meer cliënten kunnen begeleiden naar de best passende plek. Zo kunnen we hun ontwikkeling en toekomstperspectief vergroten.”

Hieronder zie je een video over het inmiddels afgeronde project.

Job Wise

“Ook psychiatrische patiënten willen prettige sociale contacten hebben”

Sociale contacten zijn belangrijk voor iedereen. In de begeleiding van psychiatrische patiënten is echter nog te weinig aandacht voor het opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds onderzoekt Barbara Montagne, klinisch psycholoog bij GGz Centraal, welke tools kunnen helpen.

“Contacten met familie, vrienden en kennissen: voor de meeste mensen is het vanzelfsprekend. Maar niet voor iedereen. Voor psychiatrische patiënten is het een enorme uitdaging om een gezond sociaal netwerk op te bouwen. En vervolgens ook te onderhouden. Dat komt deels door hun problematiek, maar ook doordat ze vaak al een tijd uit de maatschappij zijn. Toch wil ook deze doelgroep – net als ieder ander mens – prettige sociale contacten hebben!”

Barbara Montagne

“Met behandelaren en patiënten ben ik gaan kijken of de begeleiding voldoende aandacht heeft voor het sociale leven. Veel patiënten gaven aan dat de aandacht meestal naar iets anders uitgaat. Zeer begrijpelijk, maar het ontbreken van sociale contacten heeft wel invloed op hun kwaliteit van leven. Ook uit de literatuur blijkt dat veel behandelingen onvoldoende in staat zijn sociale aspecten mee te nemen. Voor mij was het duidelijk: hier moeten we iets mee.”

“Mijn onderzoeksveld is de sociale cognitie. Sociale cognitie gaat over hoe mensen de sociale wereld om hen heen zien en begrijpen. Uit de praktijk blijkt dat psycho-educatie en uitleg over sociale cognitie patiënten kunnen helpen om beter te begrijpen waarom sociale contacten stroef kunnen lopen. Eerder ontwikkelde ik een training over een specifiek onderdeel van de sociale cognitie: het herkennen van emotionele gezichten. Mijn eerste onderzoeksvoorstel was dan ook gericht op deze trainingsmethodiek. Maar dankzij de feedback van de programmacommissie van het Zorgondersteuningsfonds heb ik het nu over een heel andere boeg gegooid. In plaats van mijn onderzoek te richten op een door mij gekozen interventie – een training gericht op het herkennen van emoties – ga ik nu samen met patiënten en behandelaren zoeken naar oplossingen die aansluiten bij hun behoefte.”

“Ik begin met informatie ophalen bij patiënten en de teams. Vervolgens kijken we welke oplossingen haalbaar en praktisch uitvoerbaar zijn. En welke oplossingen patiënten willen proberen. Die oplossingen toetsen we in de praktijk, waarbij we nauwlettend volgen wat helpt en wat beter kan. Dit heet participatief actieonderzoek, een vorm van onderzoek die ik nog niet kende. Maar ik vind het wel ontzettend leuk! Maar nog belangrijker: met steun van het Zorgondersteuningsfonds kan ik nu 2 à 3 tools ontwikkelen die patiënten echt kunnen helpen hun dagelijkse sociale leven beter op de rit te krijgen.”

“Een signaleringsplan op maat op de smartphone”

De meeste cliënten met ernstige psychische aandoeningen hebben hun signaleringsplan niet altijd bij de hand, maar hun smartphone wel! Kan een signaleringsplan op de smartphone misschien uitkomst bieden? Met steun van het Zorgondersteuningsfonds onderzocht verpleegkundig specialist José Bom wat de app Mijn Oplossingen voor cliënten kan doen. “Het zelfvertrouwen van de meeste cliënten nam toe.”

“Voor dit onderzoek zijn zo’n 100 cliënten van GGZ Drenthe de app Mijn Oplossingen gaan gebruiken. Acht van hen heb ik uitgebreid geïnterviewd. De resultaten waren overwegend positief. Heel mooi vond ik bijvoorbeeld dat cliënten hun problemen als uitdagingen gingen zien. Dus niet ‘ik slaap slecht’, maar ‘ik wil beter slapen’. Of ‘ik wil mijn eetbuien voorkomen’. De cliënt met de eetbuien had muziek en foto’s in de app gezet, voor als ze een eetbui voelde aankomen. In haar signaleringsplan stond dat ze dan afleiding moest zoeken. Met de app kon ze dat met één druk op de knop doen. Ook prettig aan een app op de telefoon: het valt niet op als een cliënt zijn signaleringsplan en persoonlijke oplossingen raadpleegt. Want iederéén zit continu op zijn telefoon. Een van de cliënten vond het heel spannend om met de bus te reizen. In het bushokje kalmeerde hij zichzelf door foto’s te kijken in de app. Niemand vond dat gek.”

José Bom

“Voor veel cliënten was de app dus echt een uitkomst. Ze voelden zich gesterkt. Hun zelfvertrouwen nam toe, net als hun gevoel van zelfstandigheid. Ze konden immers zelf beslissen wat en wanneer ze iets wilden inzetten. Maar niet alle cliënten konden er goed mee overweg. Eén cliënt vertelde bijvoorbeeld dat ze erg chaotisch wordt als ze slecht slaapt. Dan kon ze ook de app niet goed gebruiken. Ze vergat steeds haar wachtwoord. Het frustreerde haar enorm dat ze telkens een nieuw wachtwoord moest aanvragen. Het maakte haar zelfs achterdochtig.”

“Uit het onderzoek kwamen ook tips naar voren. Bijvoorbeeld dat cliënten met de app moeten oefenen op momenten dat ze zich goed voelen. Zodat ze het zich eigen kunnen maken. En snel hun oplossingen kunnen vinden als dat een keer nodig is. Ook is het belangrijk dat de hulpverleners rondom de cliënt begrijpen hoe de app werkt. Zodat ze kunnen helpen als de cliënt er zelf niet uitkomt. En er moet een laagdrempelige helpdesk zijn. Bij voorkeur een helpdesk waar cliënten face-tot-face terechtkunnen. Om even samen naar de app te kijken. Anders blijft het al snel te abstract.”

José voerde het onderzoek uit als verpleegkundig specialist bij GGZ Drenthe. Inmiddels werkt ze als verpleegkundig specialist bij GGz Centraal.

In deze video ziet u een uitleg over het onderzoek.

Video over het onderzoek naar signaleringsplan-applicatie ‘Mijn oplossingen’.

“Leerboek palliatieve zorg voor mensen met een psychiatrische stoornis”

Ook mensen met een psychiatrische aandoening moeten goede palliatieve zorg krijgen. Maar in de praktijk gebeurt dat niet altijd. Omdat de kennis ontbreekt om hen goed te verzorgen. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds schreven verpleegkundig specialist Heidi de Kam en geestelijk verzorger Hennie Kievit, beiden werkzaam bij GGz Centraal, een leerboek: ‘De helikopter van Victor. Palliatieve zorg in de psychiatrie’.

“GGz Centraal heeft sinds 2011 een palliatieve unit waar mensen met een psychiatrische aandoening én een ongeneeslijke lichamelijke ziekte in de laatste levensfase zorg krijgen. De unit is er vooral voor mensen van buiten. Want onze eigen cliënten blijven ook in de palliatieve fase zoveel mogelijk in hun eigen woonomgeving. Onze palliatieve unit is vrij uniek. We merken dat we in een behoefte voorzien. En we krijgen zoveel vragen van andere organisaties! Dat bracht ons op het idee om een leerboek te schrijven. Voor al die zorgverleners van andere organisaties die om deze kennis verlegen zitten.”

Heidi en Hennie

“In ons boek ‘De helikopter van Victor. Palliatieve zorg in de psychiatrie’ staan 14 casussen uit de praktijk centraal. Uit die casussen hebben we een aantal thema’s gehaald, de hoofdstukken van ons boek. Pijn is bijvoorbeeld zo’n thema. Want de pijnbeleving van mensen met een psychiatrische aandoening is vaak anders. Ze geven op een heel andere manier pijn aan en hebben een enorm hoge pijndrempel. Ook angst, bijvoorbeeld voor medicatie, speelt een belangrijke rol. Maar we besteden ook aandacht aan aandoeningen, zoals verslaving of schizofrenie. Het laatste hoofdstuk gaat over mensen met hersenkanker. Strikt genomen is dat natuurlijk geen psychiatrische aandoening. Maar door uitzaaiingen in de hersenen ontwikkelen deze mensen vaak wel psychiatrische problemen.”

“We hopen natuurlijk dat veel verpleegkundigen ons boek gaan lezen. Want het is belangrijk dat zorgverleners weten dat palliatieve zorg voor mensen met een psychiatrische aandoeningen echt anders verloopt. En dat ze bij deze doelgroep van de landelijke richtlijnen voor palliatieve zorg mogen – zelfs moeten – afwijken. Om de kennis nog verder te verspreiden geven we ook trainingen. Aan verpleegkundigen in hospices, ziekenhuizen en de thuiszorg, die vaak weinig kennis hebben van de psychiatrie. Maar ook aan ggz-verpleegkundigen, die vaak minder weten van de palliatieve kant. Zo hopen we bij te dragen aan de best mogelijke zorg voor mensen met een psychiatrische aandoening in de laatste levensfase. Want dat is uiteindelijk ons doel.”

In onderstaande video leggen de onderzoekers de resultaten van het onderzoek uit.

In dit filmpje leggen de onderzoekers de resultaten van het onderzoek uit.

“De zelfredzaamheid van cliënten is enorm toegenomen”

Mensen met een autismespectrumstoornis ervaren doorlopend stress. Omdat ze geen grip krijgen op prikkels in hun dagelijks leven. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds en samen met TNO ontwikkelde Yvette Roke, psychiater bij GGz Centraal, SAM: een gepersonaliseerde app die mensen met autisme op maat voorziet van signalen, tips en uitleg.

“Stel je eens voor dat je plotseling in China staat en je daar moet zien te redden. Zo ontredderd voelt iemand met autisme zich elke dag. Voor mensen met autisme is het enorm moeilijk om te vertellen wat er in het dagelijks leven allemaal op hen afkomt. Maar de stress ervaren ze wel. Vaak zodanig dat ze in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Ze slapen slecht, vallen uit op hun werk en relaties lopen stuk. Om mensen met autisme meer grip op het dagelijks leven te geven ontwikkelden we de app SAM. SAM staat voor stress autism mate. De app meet 4 keer per dag hoe het met de gebruiker gaat. En geeft persoonlijke tips om de stress te verminderen. Na verloop van tijd leert de gebruiker patronen herkennen.”

Yvette Roke

“We ontwikkelden de app samen met cliënten. Zij gaven ontzettend goede feedback. Zo konden we 10 vragen over stress speciaal voor mensen met autisme maken. Ook voegden we op aanraden van de cliënten een controlevraag toe. De controlevraag verifieert of de gebruiker inderdaad lichte, matige of ernstige stress ervaart. Want soms is er gewoon iets anders aan de hand. Dan heeft de gebruiker bijvoorbeeld slecht geslapen. De app legt dit dan uit.”

“SAM heeft meer gebracht dan ik had durven hopen. We hebben de eerste groep gebruikers van SAM 6 maanden gevolgd. In die tijd deden we 3 metingen, de laatste nadat de cliënten de app 2 maanden niet hadden gebruikt. Uit de metingen blijkt dat de subjectieve kwaliteit van leven en de zelfredzaamheid van cliënten enorm is toegenomen, op korte én langere termijn. Cliënten zijn bijvoorbeeld in staat om bij terugkerende stress (praktische) hulp aan familie te vragen. Dat is heel bijzonder voor mensen met autisme.”

“Een aantal cliënten die aan het onderzoek deelnamen zijn inmiddels bij ons uitgeschreven. En met de andere cliënten die meewerkten zijn we nu aan het afsluiten. De app leert mensen dus echt om zelfredzaam te zijn. Er is sprake van een blijvend effect. SAM geeft cliënten een duwtje in de rug: ‘je kunt het echt wel zelf’. Dat vind ik heel mooi.”

Bekijk hieronder een video met uitleg over het onderzoek en de SAM app.

SAM app @GGz Centraal

“De waakvlamvariant van HouVast is nu een erkende interventie”

Kinderen opvoeden is ingewikkeld. Zeker voor ouders met een licht verstandelijke beperking. Speciaal voor deze groep biedt de interventie HouVast uitkomst. Met steun van het Zorgondersteuningsfonds deed Middin onderzoek naar de waakvlamvariant van HouVast. Gedragskundige Inge van Wijk was daarbij betrokken. “Ouders zijn blij met de positieve insteek.”

“Voor gezinnen met een ouder – of beide ouders – met een licht verstandelijke beperking ontwikkelde de William Schrikker Groep de interventie HouVast. Goed genoeg ouderschap staat centraal, met oog voor de belangen van het kind. HouVast kent twee varianten: HouVast-intensief en HouVast-waakvlam, met als enige verschil de intensiteit van de ondersteuning. In de intensieve variant krijgt een gezin veel uren begeleiding, in de waakvlamvariant minder. Maar het gezin wordt wel ‘vastgehouden’. Wat goed gaat wordt ondersteund en hier en daar worden nog vaardigheden versterkt. En als het nodig is kan extra begeleiding snel weer worden ingevlogen. HouVast-i, de intensieve variant, was al uitgebreid onderzocht en theoretisch onderbouwd. Maar over de werking van HouVast-w, de waakvlamvariant, was minder bekend. Wij wilden HouVast-w graag onderzoeken en het Zorgondersteuningsfonds maakte dat mogelijk.”

Inge van Wijk

“We onderzochten of hulpverleners HouVast-w uitvoeren zoals bedoeld. Ook hebben we gekeken hoe hulpverleners en gezinnen HouVast-w ervaren en waarderen. Dat deden we via interviews en focusgroepen met hulpverleners en ouders. Dat was een tip die we van het Zorgondersteuningsfonds kregen toen we ons onderzoeksvoorstel indienden. Heel waardevol, anders hadden we bijvoorbeeld nooit van ouders gehoord hoe verschillend ze tegenover ‘bemoeien’ staan. Dat is een spanningsveld waarvan een hulpverlener zich goed bewust moet zijn.”

“Hulpverleners ervaren dat ze met HouVast-w partnerschap met de ouders kunnen opbouwen. De technieken van HouVast-w helpen daarbij. Ook zijn ze, net als de ouders, enthousiast over de positieve insteek van HouVast. Die maakt bijvoorbeeld dat eventuele zorgen makkelijker bespreekbaar zijn. Wel geven ouders aan dat er een klik met de hulpverlener moet zijn. Alleen dan ervaren ze de hulpverlener echt als steun, iemand die in hen gelooft en langere tijd oplossingsgericht meedenkt. Ze accepteren hun hulp dan graag, want net als andere ouders willen ze dat het goed gaat met hun kinderen.”

“Natuurlijk kunnen er altijd dingen beter. Zo bleek bijvoorbeeld dat nog niet alle technieken van de methode even vaak gebruikt worden. Die verbeterpunten nemen we nu mee, zodat we het gebruik van HouVast-w in de praktijk verder kunnen ontwikkelen. Kers op de taart is dat HouVast-w mede dankzij dit praktijkonderzoek nu erkend is als interventie. Daar zijn we trots op.”

Bekijk hieronder de videopresentatie over het praktijkonderzoek naar de werking van HouVast-w van Inge van Wijk en Marjan van Gameren.